Ecuador

terug naar Reizen

9 mei 2009, Quito,
Op het vliegveld worden we opgevangen door Klaudie, onze reisbegeleidster. Klaudie woont in Baños en zij is getrouwd met een Ecuadoraan. Hierover later meer. Zij spreekt de taal dus beter dan de meesten van ons. De naam van onze buschauffeur is niet zo moeilijk te onthouden, want hij heet Napoleon.
Deze keer hebben we een klein groepje. Twee mensen zullen zich straks nog bij ons voegen, want die zijn eerst naar de Galápagos eilanden geweest. Als we compleet zijn, dan zijn we met zijn elven.
Vroeg in de middag gaan we naar het Plaza de la Indepencia in het historisch centrum van Quito. Daar is een binnenplaats, waar een aantal leuke restaurants zijn.

10 mei, op pad.
Onderweg naar het Noorden stoppen we aan de rand van Quito om eens beter naar de omgeving te kunnen kijken. Natuurlijk valt de Cotopaxi gelijk op. Hij is redelijk goed te zien, omdat er niet veel wolken omheen hangen.
We rijden voorbij Mitad del Mundo, want we gaan eerst even kijken bij de Mirador del Pululahua, een oude vulkaankrater.
Op weg terug schieten wij aan bij het Inti Ñan museum. Tweehonderd meter daar vandaan staat een monument om de plaats aan te geven, waar men vroeger dacht, dat de evenaar lag. Ze hadden blijkbaar een klein foutje gemaakt.
In het Inti Ñan museum worden een hele serie proefjes gehouden, die te maken hebben met de nabijheid van de evenaar. Natuurlijk is daar de proef bij met de draaikolk in de wasbak.
Onderweg naar Maquipucuna stoppen we bij een orchideeëntuin. Het blijft vreemd om te zien, dat dit hier allemaal in het wild groeit.
Als we weer in de bus willen stappen, lopen we langs een vader, die zijn pick-up truck niet meer aan de praat kan krijgen. De accu is versleten. En dat lijkt ons best een probleem, want we zijn hier niet echt dicht in de buurt van een redelijk grote plaats.
Wat verderop stopt Napoleon. Wie wil, mag boven op de bus zitten. Hij zal niet te hard rijden en we krijgen kussentjes.  Na een kwartier verlaten we de geasfalteerde weg en komen op een zandweg terecht. Als de takken van de bomen wat te dicht boven ons gaan zwaaien, mogen we weer naar binnen. Niet lang daarna stappen we allemaal uit en lopen het laatste eindje naar Maquipucuna.
Via een brug komen we bij de Maquipucuna Lodge. We delen de kamer met Christina. Nadat we de spullen in de kamer gezet hebben, maken we een wandeling in de omtrek.

11 mei, Maquipucuna,
Maquipucuna ligt in het nevelwoud. Het is er dan ook erg vochtig. De volgende morgen gaan we voor het ontbijt vogels spotten met een gids. Die weet blijkbaar waar hij moet kijken, want hij vindt meer vogels dan wij!
Na het ontbijt gaan we een wandeling maken. Met laarzen aan. We zien ook van allerlei planten en dieren. Van een giftige gele rups, tot aan een vogelspin.
Na de wandeling gaan wij ons flink boenen onder de douche, want naar het schijnt krioelt het hier van nietig kleine rode insecten, die zich in de plooien van je huid nestelen en in de naden van je kleding en waar je naderhand ontzettend veel jeuk van krijgt. Blijkbaar hebben we goed geboend, want we hebben geen jeuk gekregen.

12 mei, naar Otavalo.
In verband met werkzaamheden aan de weg, gaan we bijna de hele weg terug naar Quito, om via een omweg naar Otavalo te rijden. Onderweg twee keer oponthoud. Eén keer door een ezel, die niet aan de kant ging en de tweede keer doordat we moesten wachten op het “inladen” van twee wilde paarden. Ook nu mogen er weer een paar mensen op het dak van de bus zitten.
Vlak voor het Laguna San Pablo, het meer van Otavalo, stoppen we even. Daarna lunchen we in Otavalo en we verkennen het centrum en de toeristenmarkt.
Er loopt in de omtrek van Otavalo een initiatief, waarbij de plaatselijke bevolking geholpen wordt met het opzetten van een “Bed and Breakfast”. Wij worden allemaal bij een andere familie afgezet.
Voor toeristen gelden een aantal regels, waarbij de nadruk ligt op het respecteren van de plaatselijke gebruiken.
Van tevoren werden wij er op gewezen, dat het een goed gebruik is, dat je iets voor de mensen van het gastgezin meebrengt. Wij hebben er op gegokt, dat er een kind zou zijn in het gezin. En dat klopt want Tarita is heel blij met de viltstiften en haar moeder krijgt van ons een doos bonbons en een paar mooie kaarsen. Die kaarsen zien wij later terug in het huisaltaar.
Het is tevens een goed gebruik, dat je helpt in het huishouden. Dus doppen wij bonen en gaan met de gastvrouw mee om het varken eten te geven. Dat is op een maïsveld een eindje verderop. Een koe is losgebroken en wij helpen mee om weer een nieuwe paal in de grond te slaan. Op het maïsveldje staat ook een provisorische tent van een paar bonenstaken en een plastic zeil. Daar blijkt oma de nacht in door te brengen. Zij past namelijk op het vee.
Op weg terug stappen we ook nog even een schooltje binnen, waar muziekles wordt gegeven. Een fooi wordt op prijs gesteld.
‘sAvonds eten wij van de bonen, die we zelf gedopt hebben. Aan tafel vraagt de gastvrouw ons, of wij één of twee nachten blijven. Volgens het reisplan zouden we maar één nacht blijven. Dat vindt de gastvrouw jammer en wij eigenlijk ook.

13 mei, omtrek Otavalo,
De volgende morgen worden wij al om 8 uur opgehaald. Wij gaan paardrijden! Anderen gaan wandelen. Dus splitst de groep zich op in Cotacachi, een plaatsje ten noorden van Otavalo. Met een pick-up truck rijden we naar een haciënda, waar al een paar paarden gezadeld op ons staan te wachten.
In een rustig tempo rijden we drie uur door de omgeving. We krijgen zo de kans om alles goed in ons op te nemen. We gaan over bergen en door dalen. Dit is beslist iets om later nog eens te gaan doen!
‘sMiddags gaan we met een taxi naar het Parque del Condór. Dit is een park, waar grotere roofvogels worden opgevangen. Alhoewel de beheerders echt hun best hebben gedaan om het verblijf van de vogel zo aangenaam mogelijk te maken, hebben wij toch problemen met geketende vogels.
In de avond gaan we weer eens lekker eten in het centrum van Otavalo.

14 mei, naar Papallacta.
De afstanden in Ecuador zijn niet zo groot, dus krijgen we tijdens deze reis gelegenheid genoeg om onderweg te stoppen om wat te gaan bekijken. We gaan naar drie dorpen, waar we kennis kunnen maken met typisch handwerk.
Als eerste gaan we naar een plaats aan het meer, waar men riet verwerkt tot matten en allerlei andere dingen. Peter mag proberen of hij het ook kan, maar dat valt dus tegen.
In een ander dorp zien wij hoe één van de gebroeders Pichamba een panfluit maakt. Aan het eind spelen hij en zijn twee broers een stukje voor ons en Jan en Klaudie voeren de dans uit, die daar bij hoort.
Als laatste gaan we naar een wever. Een man van 76, die nog steeds les geeft aan iedereen die het wil leren. Zelfs aan buitenlanders. We zien er alle stadia van het weven.
Nadat we dat gezien hadden, gaan we de bergen in. We komen op de waterscheiding, de plek, waar het water aan de ene kant van de berg naar de Stille Oceaan stroomt en aan de andere kant naar de Atlantische. Het is hier 4600 meter hoog.
We zijn nu al vlak bij Papallacta. Vlak bij de doorgaande weg ligt Hotel Termas . Het is een heel gewilde plek, want vlak voor de deur van je kamer liggen de thermale baden. We testen even en wij schatten dat de temperatuur 40 graden Celsius is. Snel trekken wij onze zwemkleding aan en we stappen het water in. Jan ontdekt een klein badje met koud water. Hij stapt er in en zegt hardop, dat het heel lekker is om te “wisselen”. Sommigen doen het hem na. Zachtjesaan wordt het duister. Tot onze grote verrassing zien wij vanuit het warme bad de zon goudkleurig ondergaan over de besneeuwde top van de Antisana vulkaan. Een betoverend schouwspel.
Daarna gaan we heerlijk dineren in het restaurant van het hotel.

15 mei, naar de jungle!
De rit naar het Amazonegebied is ook weer heel afwisselend. Het begint met bergen net onder de boomgrens en we eindigen op vlakke wegen tussen het groen van het oerwoud.
Voordat we naar de Cotococha Lodge gaan, aan de Rio Napo, gaan we in Tena baby-olie kopen. Dat schijnt een probaat middel te zijn tegen zandvlooien. En die komen veel voor op de oevers van de Rio Napo. De winkelier kijkt niet eens op bij zoveel klanten voor dat ene artikel.
Aan het eind van de middag komen we bij de Lodge aan. Het is er lekker warm. De lodges zijn gemaakt van onbewerkte bomen uit het oerwoud. Maar wel gelakt, natuurlijk. Terwijl de zon stemmig over de rivier ondergaat, brengen medewerkers van de lodge olielampen.
We gaan in de open eetzaal dineren. Maar voor wij aan tafel gaan, zitten we nog even rondom het haardvuur. Tegen de muggen. Maar die zitten hier niet veel. Daarvoor is het hier te hoog.

16 mei, Cotococha lodge.
Het regent. Dus stappen wij voorzichtig in de boot. We gaan een tocht over de Rio Napo maken. Na een half uur is het droog, als we stoppen in Misahuali, een kruispunt van wegen en rivieren. Er staat iemand met een Anaconda om zijn nek. Die mag je voor een paar centen ook even om je hals leggen. De man wordt van ons niet veel rijker. Nadat onze gids Marco een bad heeft genomen in de rivier, duwt hij de boot met een boomstam weer van de wal en we gaan verder.
Een uur later stoppen we bij de AmaZOOnico dieren-opvang. Hier worden dieren opgevangen om ze op een later moment weer vrij te laten in de natuur. Maar wij horen, dat dit helaas niet in alle gevallen kan. Vooral de kleurrijke papagaaien vallen in de smaak. We zien daar ook een pekari en een jaguarundi. En nog veel meer. De zaak wordt draaiende gehouden door een aantal jonge westerse vrijwilligers.
Op weg terug stoppen we voor een picknick. Aan alles is gedacht. En gelukkig gaat het net niet ernstig regenen.
Vlak bij de Lodge stoppen we in een dorp van de oorspronkelijke bewoners, waar wij zien, dat ze souvenirs maken met behulp van alleen maar materialen, die ze in de natuur vinden.

17 mei, Cotococha lodge.
Vandaag gaan we een flinke wandeling maken. Naar een waterval. En omdat het in het regenwoud erg nat en modderig is, trekken we allemaal een paar flinke laarzen aan. Gids Marco laat ons van de ene verbazing in de andere vallen. Van boombladeren maakt hij een kroon voor Christina en hij tovert zichzelf om tot een vogel, door een stuk van een bloem op zijn neus te zetten. Met een boogje lopen we om spinnen en schorpioenen heen. De route naar de waterval is op sommige plaatsen heel moeilijk begaanbaar. En het verrast ons dus zeer, als wij bij de waterval een jonge vrouw aantreffen, die ongeveer 8 maanden zwanger is. Ze loopt in een mini-jurk en ze draagt zelfs teenslippers.
Na een duik in het water van de waterval gaan we dezelfde weg terug en komen weer bij de boot aan. Vlak bij de lodges gaan we aan de overkant van boord en we lopen daar naar een vlindertuin. We zien daar niet alleen veel vlinders, maar ook rupsen en poppen. En een hele grote vogelspin op de schouder van een jongen.
‘sAvonds maken we met gids Marco nog een wandeling in het donker door de jungle. Wij passen wel op, dat we niet nodeloos steun zoeken bij een boom of struik. Want we zien bijna overal insecten op zitten.
Die kleine rode insecten, weet je nog? Die zijn blijkbaar verhuisd, want wij kwamen ze hier dus tegen. Zonder het te merken, tot het te laat was.

18 mei, naar Baños.
Baños is onder meer bekend doordat men daar karamel maakt en verkoopt. Onderweg stoppen wij bij een fabriek, waar men uit suikerriet blokken ruwe karamel maakt. Het bekende werk: een open loods, met een voorhistorische machine en een dikke schoorsteen.
Verder in de richting van Baños stoppen we bij een uitzicht over de Pastaza rivier, bij een waterval met de naam “Paillon del Diablo” en we maken een ritje met een kabelbaan over een kloof van de Pastaza. Aangedreven door een motor uit een vrachtwagen. De chauffeur zit er nog bij.
In de middag komen we in Baños aan. Nadat we het hotel bezet hebben, gaan we de stad verkennen. We zien ook een kitscherig museum ter ere van de Heilige Maagd. Maar beslist in de geest van de plaatselijke bevolking. We zien een Italiaans restaurant en we besluiten daar later te gaan eten. Baños is beslist een leuk plaatsje. Niet te groot en niet te druk. En het ligt op een hoogte, die een constante prettige temperatuur garandeert, het hele jaar door.
Vlak bij Baños ligt een vulkaan, de Tungurahua. Deze vulkaan is in 1999 nog tot uitbarsting gekomen en de lava is tot in de stad gekomen.
In de avond gaan we inderdaad bij die Italiaan eten. Altijd lekker.

19 mei, Baños.
We zouden om half 10 gaan paardrijden, maar omdat het flink regent, stellen we de rit uit. We kijken het weer aan en als het beter wordt, gaan we om 11 uur alsnog. Maar het wordt niet beter en daarom moeten we de rit tot onze spijt afzeggen. In plaats daarvan gaan we per taxi naar het uitzichtpunt boven de stad, bij het grote kruis. Ja, je kunt er ook naar toe lopen, maar in verband met het weer kozen we voor een snellere oplossing. Omlaag lopen gaat sneller en als het toch te bar wordt, dan zijn we sneller onder de pannen. Onderweg naar beneden komen we een oudere man tegen, die er militairistisch uitziet. Met een stokje onder zijn arm . . . Hij zweept een drietal jongelieden op, die met een buitenband van een auto om hun nek tegen de heuvel omhoog moeten. En snel een beetje. Eén van de drie is nota bene een meisje. Het zal wel sport zijn, maar toch hadden wij de neiging om streng in te gaan grijpen.
Na afloop gaan we nog even in de stad winkelen.

20 mei, naar Riobamba.
Als we Baños met de bus verlaten, zien we de sporen van de uitbarsting van 1999. Restanten van huizen, die tot anderhalve meter in de lava staan. Op diverse plaatsen zijn bulldozers nog bezig om de lava weg te werken. Je raakt de vulkanen in Ecuador nooit echt kwijt. Nu rijden we weg van de Tungurahua, maar we komen dan straks weer dicht bij de grootste vulkaan van Ecuador, de Chimborazo.
Ons hotel in Riobamba ligt direct tegenover het station. Daarvandaan vertrekt ook de trein naar de Duivelsneus.
In de hal maken wij kennis met Sebas, de man van Klaudie. Zijn grootvader is een echte Shuar indiaan. Klaudie en Sebas zijn ook helemaal volgens de gebruiken van die stam getrouwd. Sebas is gids in het Amazone gebied en hij blijft een aantal dagen bij ons, omdat hij op dit moment geen verplichtingen heeft.
We besteden de rest van de dag dwalend door de stad. Vanaf het dak van ons hotel zien we de mooiste zonsondergang van onze vakantie.

21 mei, de Chimborazo.
Met de bus worden wij naar een hoogte van 4800 meter op de Chimborazo gebracht. Daar staat de eerste berghut. Gekleed in laagjes en vaak rustend gaan wij omhoog naar de tweede berghut. Die ligt slechts 200 meter hoger, maar het is geen peulenschil! Vooral door de hoogte. Omlaag gaat kwieker. Maar daar wacht ons de mountainbike. . We gaan 35 kilometer omlaag, beginnend met een stuk van 8 km, dat niet geasfalteerd is. We gaan nu nog vreemder gekleed. Met bivakmuts, camouflage broek, valhelm, knie- en armbeschermers. Alleen door vlak voor iemand te gaan staan, herkende je hem of haar nog. Sommigen zijn voorzichtig, maar Hans gaat een keer over de kop. In een dorp bij een moderne kerk is de finish. Met de auto’s van de touroperator gaan we terug naar Riobamba. Wat we vandaag gedaan en gezien hebben, kan niemand ons meer afnemen!

22 mei, naar de Duivelsneus.
We moeten al om 6 uur op het station zijn. In het duister stappen we in de trein, die bij nader inzien eerder een bus is, met het onderstel van een trein en zonder stuur. Voordat de trein vertrekt worden we onderhouden door een plaatselijke muzikant. Eigenlijk is hij onderwijzer, maar hij verdient meer aan deze matineuze muzikale optredens.
In de bus zitten bijna uitsluitend westerse toeristen. Van oorsprong was dit wel degelijk een trein voor iedereen, maar de plaatselijke bevolking stelt meer prijs op het vervoer over de weg. Vooral sinds het spoorwegennet ernstig ontregeld is door verscheidene aardbevingen.
Tot voor kort konden de passagiers boven op de trein zitten om met volle teugen van het landschap te genieten, maar sinds een paar recente noodlottige ongevallen, mag dit niet meer. Alhoewel de stoelen nog wel op het dak staan . . .
Via tussenstops in Guamote en Alausi rijdt de trein naar de Duivelsneus. Het traject wordt hoe langer hoe woester. Het eindpunt ligt in een dal. De trein moet een paar keer zigzaggen om daar te komen. De Duivelsneus is een berg, die er als zodanig uit zou zien. Maar wij zien geen gelijkenis.
Nadat de trein gekeerd is en na het nemen van de nodige foto’s gaan we weer terug. Maar we gaan niet helemaal terug naar Riobamba; de bus staat in Alausi op ons te wachten.
Als we weer boven op de berg zijn, zien we de trein diep beneden ons nog een keer rijden.
‘sMiddags komen wij bij Ingapirca aan. Ingapirca is eigenlijk de enige Inca-ruïne, die in redelijke staat bewaard is gebleven, maar het is geen vergelijk met de Inca-ruïnes in Peru. De lucht is dreigend en gewapend met een paraplu gaan we achter de gids aan. Helaas is zij niet goed te verstaan en er ontgaat ons dus veel. In aansluiting op de rondleiding over de ruïne lopen we ook langs een rots, die een frappante gelijkenis vertoond met een Inca hoofdman.
Het museum bij de ruïne is weliswaar open, maar er branden geen lampen en dus is alles maar slecht te zien. Aangezien we geen schakelaar kunnen vinden en aangezien er niemand rondloopt, die ons kan helpen, stappen we maar in de bus, die ons nog een paar honderd meter omhoog rijdt.
Hij levert ons af bij de Posada Ingapirca, een voormalige haciënda, die ongebouwd is tot een betoverde verblijfplaats. We genieten van een voortreffelijk diner. Het is daar ‘savonds vrij koud omdat het hoog ligt. En tot onze verbazing krijgen wij na het diner allemaal een kruik mee.

23 mei, naar Cuenca.
Omdat wij daarvoor de vorige avond niet genoeg kans hebben gehad, willen wij vóór het ontbijt nog wat opnames maken van het hotel en de omgeving. Maar dat zit ons niet glad. Jan vangt ons op en zegt, dat hij wat met ons te bespreken heeft. Maar het is niet ernstig. Als we weer in de eetzaal komen, komt de aap uit de mouw. Jo is vandaag jarig en dat is de reisgenoten niet ontgaan. Ongemerkt voor ons hebben zij een taart geregeld en wat cadeautjes gekocht. We besluiten om de taart pas in het hotel in Cuenca aan te snijden. Als we na het ontbijt in de bus stappen, blijkt die voor de gelegenheid versierd te zijn met slingers en ballonnen. Daar wordt je dus wel degelijk vrolijk van!
Napoleon woont in Cuenca en hij kent de stad dus als zijn broekzak. Voordat hij ons naar het hotel brengt, rijdt hij naar het noorden van de stad. Daar ligt een straat, met restaurantjes, waar je cavia kan eten. Die worden aan het spit gebraden. Iedereen proeft een stukje en de smaak valt ons niet tegen.
In het hotel gaan we de taart aansnijden. De obers hebben er ook nog kaarsjes opgezet. In diverse talen wordt de jarige toegezongen. De taart is echt heerlijk.
Iedereen gaat daarna individueel de binnenstad verkennen. Het oude centrum van Cuenca is de leukste binnenstad, die wij tot nu toe hebben gezien. Het is alleen wat jammer, dat de kerken bijna allemaal dicht zijn. Alleen ter gelegenheid van een doop of een trouwerij zijn sommige kerken open.
Naast de kathedraal zien wij een hele rij bloemenstalletjes. Daar zien we de rozen, die op veel plaatsen in de omtrek worden gekweekt. Het zijn werkelijk prachtige rozen en ze ruiken heel lekker.
’sAvonds valt het ons op, dat de jongelui hier ook aan Crusing doen. De Calle Larga is vol met auto’s met jongeren.

24 mei, Cajas Parque Nacionál.
Het is vandaag zondag en de kinderen van Napoleon zijn vrij. Zijn vrouw en zes van zijn kinderen zitten achter in de bus. Op weg naar Cajas worden de kinderen één voor één overgehaald om voor de microfoon een liedje te zingen. Bijna alle liedjes gaan volgens ons over hun moeder.
Bij Cajas stappen wij uit en volgen een gids. Maar omdat wij ook video opnames maken, raken wij wat achter en wij kiezen er dan voor om onze eigen weg te volgen.
Cajas ligt op een hoogvlakte en het fungeert eveneens als waterbron voor de stad Cuenca. En wij zien veel water, heel veel water. De grond onder onze voeten voelt vaak zompig aan en overal sijpelt water. Wij staan versteld van de vele soorten planten. In Cajas worden ook weer lama’s en alpaca’s geherintroduceerd.  Die zijn nu bijna uit Ecuador verdwenen. We brengen 3 uur zoet op een stukje van 3 vierkante kilometer! Een wonderlijke, sprookjesachtige plaats.
Na afloop gaan we bij Cuenca nog naar een punt, waar we een mooi overzicht over de stad hebben. We proberen ons hotel aan de Calle Larga te vinden, maar dat is niet zo makkelijk.
Op weg terug naar het hotel rijden we vlak voor een rotonde langs een vrouw, die probeert om haar beschonken man tot leven te wekken. Sommigen schijnen haar hier al mee bezig te hebben gezien, toen wij hier vanmorgen op weg naar Cajas langs kwamen.

25 mei, naar de kust.
We dalen nu af naar de kust. Onderweg koopt Napoleon bananen voor ons. De kleintjes zijn heel lekker, maar ook de rode smaken voortreffelijk.
Al gauw rijden we tussen eindeloze rijen bananenplantages.
We belanden bij een plantage van de Guavo coöperatie. Deze combinatie verbouwt bananen volgens het “Fair Trade” principe. Ze vertellen ons, hoe ze de plantage onderhouden en hoe ze de bananen na de oogst keuren, wassen en verpakken. Bij het keuren wordt er ook met een mes in een paar bananen geprikt om te controleren of die niet exploderen. . dat blijkt namelijk soms te gebeuren. Als sluitstuk krijgen we een lunch aangeboden door de coöperatie. De keurmeester loopt parmantig rond met een jonge, groene leguaan op zijn schouder.
Na deze tour rijden we naar Gyuaquil, waar wij een hotel hebben, midden in de stad. Veel tijd om de stad te bekijken is er niet en dus gaan we onze bagage maar eens onder handen nemen. Napoleon brengt ons morgen nog even naar Puerto Lopez, maar dan zit het er voor hem op. Wij zullen na Puerto Lopez met de lijnbus terug naar Gyuaquil moeten, dus is het verstandig om met minder bagage verder te reizen.
Vanavond gaan we weer met zijn allen dineren. Klaudie weet een l;euk restaurant. We passen niet met zijn allen in één taxi, dus geeft Klaudie aan alle chauffeurs een briefje met het adres van het restaurant. De naam en de straat van het restaurant kloppen, maar het nummer niet. Dus zijn wij even een aantal van onze reisgenoten kwijt.

26 mei, Puerto Lopez.
Vroeg in de morgen verlaten drie van onze reisgenoten de groep. Ze hebben een arrangement geboekt voor de Galápagos eilanden.
Via een toeristische route gaan we langs de kust. Onderweg lunchen we in Montañita. Dit is een pleisterplaats voor hippies. Best een gezellig plaatsje.
Vanaf een mooie uitkijkplaats maken wij voor het eerst kennis met Puerto Lopez. Via de verrekijker zien we het hotel al liggen. Daar aangekomen blijkt Hosteria Mandála een lust voor het oog. Alles is daar gemaakt met oog voor detail. Zelfs de tankauto, waar men drie keer per dag water mee gaat halen voor het hotel, inclusief de weelderige tuin, is psychedelisch geverfd. Eigenaars zijn een Italiaan en een Zwitserse. Ze hebben op de eerste verdieping van het hotel een hele verzameling spelletjes en een bibliotheek aangelegd. Ook zie je daar diverse muziekinstrumenten. Al het houtwerk in de Hosteria is met de hand gemaakt en je zou zo het één en ander mee naar huis willen nemen. Eten kan je natuurlijk overal langs de boulevard, maar het eten in de Hosteria slaat werkelijk alles!
Op het strand heeft de Hosteria een heel stel open hutten, waar je een hangmat in kunt ophangen.
‘sAvonds zien we weer eens een mooie zonsondergang.
Na het diner heeft Napoleon een verrassing voor ons. Of we even mee willen lopen naar de eerste verdieping. Daar pakt hij een gitaar en hij geeft een gratis concert. Sebas doet ook zijn best. Hij doet het slagwerk. Maar hij gaat soms een beetje uit de maat . .
Wat is die Napoleon toch een lieve man! En zijn stem mag er ook best zijn. Als iemand anders Napoleon later nog eens ziet, doe hem dan beslist de groeten!

27 mei, Puerto Lopez.
Vandaag nemen we de tijd om het stadje te bekijken. We zien al van verre vogels rond een paar kleinere boten zwermen. Die boten hebben de vangst overgenomen van grotere vissersschepen, die in Puerto Lopez niet kunnen aanmeren. Met plastic manden dragen mannen de vangst naar het strand, waar de vis in een vrachtwagentje wordt gekiept. Maar onderweg naar die vrachtwagen, duiken de fregatvogels op de vangst en er verdwijnen er altijd een paar in de maag van de vogels. Ook stikt het er van de pelikanen. Die vliegen telkens een eindje op, om de omslaande golven te ontlopen.
Verderop liggen de wat grotere vissen op het strand, zoals zwaardvissen en roggen. En overal zie je van die kleine rode krabbetjes, die snel in een gat duiken, als je wat dichterbij komt.
Natuurlijk is de plaatselijke markt ook altijd leuk om te bekijken. Veel bananen en kaas. Bij een kapper zijn beide oude stoelen leeg, maar wij hebben wel wat anders te doen.

28 mei, Isla de la Plata.
Het eiland dankt zijn naam aan Sir Francis Drake, de Engelse kaper, die hier ooit zijn basis schijnt te hebben gehad. En toen de Spanjaarden besloten om hem eens een lesje te lezen, schijnt hij zijn schat (zilver is in het Spaans “Plata”) in zee te hebben gedumpt. De schat is nooit terug gevonden. Nog een reden om daar eens naar toe te gaan dus!
Met een snelle boot met twee motoren varen we in 50 minuten naar het eiland. Als we daar aankomen, gooien de bootslieden een paar slablaadjes in zee en prompt zijn wij omringd door een heel stel mooi gekleurde schildpadden.
Wadend door het water gaan wij naar het strand. Daar kunnen wij kiezen uit twee wandelroutes. We kiezen de route, die de voorkeur heeft van de gids. We beginnen met een pittige klim naar de top van het eiland. Gelukkig brandt de zon niet voluit, want anders zou dat best nog zwaarder zijn geweest.
De eerste vogels, die wij zien, zijn Blue Footed Boobies. Met en zonder eieren. Met en zonder jongen. Nooit meer dan twee. En je kunt er heel dicht bij komen. Net als op de Galápagos. Helaas zien wij maar één albatros. Maar daarna komen we hele kolonies Nazca Boobies tegen. Om de fregatvogels te kunnen zien, hadden wij helaas de andere route moeten kiezen.
Na 3 uur komen wij weer op het strand aan en we gaan weer aan boord om onze lunch te eten. Dat doen we op een plekje wat verder langs het eiland. Daar zien wij dan toch ook nog even wat fregatvogels. Van een afstandje, maar toch.
Hier krijgen we de kans om nog even te snorkelen. Terwijl wat rond de boot zwemmen, gooien de bootslieden wat broodkruimels in het water en prompt zijn wij omringd door een hele zwerm fel gekleurde vissen. Ze zwemmen zo langs je heen.
De retourtocht wordt in een opperbeste stemming gemaakt.

29 mei, Puerto Lopez.
Vandaag gaan we aan ons “kleurenschema” werken. Want als we weer in Nederland zijn, willen we toch kunnen laten zien, dat we op de evenaar hebben rondgelopen! Verder geen bijzonderheden.

30 mei, terug naar Guyaquil.
Om een uur of 10 gaan we naar de bushalte. De bus heeft een half uur vertraging, maar wij hebben toch geen haast om hier vandaan te gaan. De bus neemt niet de toeristische route van Napoleon, maar hij gaat na een half uur het binnenland in. Het is een komen en gaan van verkopertjes, die voor in de stad instappen en na gedane zaken aan het eind van de stad stappen zij weer uit. Onderweg knapt er nog een bladveer onder de bus en met een trager tempo rijden we toch door.
Als wij weer in het hotel in Guyaquil aankomen, blijken de drie reisgenoten, die naar de Galápagos zijn geweest, ook al te zijn aangekomen.
Volgens traditie gaan we die avond in Guyaquil voor het laatst met zijn allen dineren. In een Baskisch restaurant.
Natuurlijk is er een inzameling gehouden om Klaudie te laten weten, hoezeer wij haar op prijs hebben gesteld. Maar er zit wel een addertje onder het gras. Als wij haar de envelop met inhoud geven, vertellen wij, dat we een quiz gemaakt hebben, met vragen over gebeurtenissen tijdens de reis. Bij elk fout antwoord gaat er iets van de buit af. Niet echt natuurlijk, maar Klaudie schatert het uit. En zo zien wij haar het liefst. Als een vrolijke dame, die het tijdens de hele reis naar haar zin had. Net als wij.

31 mei en 1 juni, vliegreis terug.
Via Quito (waar we op het vliegveld nog wat inkopen konden doen) en Bonaire vliegen wij terug naar Schiphol. Helaas missen wij Jan bij het afscheid daar. Is hij wellicht weer aan een stewardess blijven hangen?